• Home
  • Redactionele artikelen

Redactionele Artikelen

Deel dit artikel met je vrienden:
Share |

Bijdrage van: Reinier Feitz en Thybout Moojen, specialisten in hand-, pols- en perifere zenuwchirurgie bij Xpert Clinic in Hilversum

Aandoeningen aan hand en pols


Er zijn in Nederland heel veel mensen met een aandoening aan hun hand of pols. En dat aantal zal in toekomst alleen nog maar groeien. De meeste klachten worden veroorzaakt door het werk. RSI-problemen, bijvoorbeeld bij mensen die veel achter de computer werken, komen heel vaak voor. Ook zenuwbeklemmingen zoals het Carpaal Tunnel Syndroom zien we steeds meer.

Uit een Engels onderzoek is gebleken dat het aantal mensen met een Carpaal Tunnel Syndroom in vier jaar tijd met maar liefst 30% is gestegen. In al die gevallen is het belangrijk dat de aandoening op tijd en op de juiste manier wordt behandeld. Maar er is nog een andere oorzaak van de toename van hand- en polsproblemen. We blijven steeds actiever leven, ook wanneer we ouder worden. Onze gewrichten worden dus een langere periode heel intensief belast. Een goed voorbeeld hiervan is gewrichtsslijtage van het duimgewricht (duimartrose). Naar schatting krijgt één op de drie vrouwen boven de 40 jaar hiermee te maken. Vaak krijgen mensen te horen
dat ze maar met hun pijnklachten moeten leren leven. Onnodig, want vrijwel iedere aandoening kan worden behandeld.

Triggerfinger

Een 'triggerfinger' (ook wel hokkende vinger genoemd) kan alleen met moeite gestrekt worden en komt dan met een schokje recht. Soms zit er een pijnlijke verdikking in de handpalm of aan de duimbasis. De klachten worden veroorzaakt doordat de peesschede die om de buigpees zit geïrriteerd en gezwollen is. De buigpees kan daardoor niet soepel meer bewegen waardoor u uw vinger niet makkelijk kunt strekken. Een injectie met een ontstekingremmer helpt u vaak binnen enkele dagen van uw klachten af. Is dat niet het geval, dan kan het bandje van de peesschede operatief doorgesneden worden.

Ganglion

Een ganglion is een goedaardige zwelling die vaak voorkomt op de vingers of de pols. Een ganglion is te herkennen als een klein, stevig, gevoelig bultje dat gevuld is met een geleiachtige vloeistof. Het komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen – in ongeveer 70% van de gevallen gaat het om een vrouw. Een ganglion geeft niet altijd klachten. Wanneer het ganglion op de zenuw drukt, zorgt dat voor tintelingen. Ook kan er sprake zijn van bewegingsbeperking, pijn of zwakte van de vinger. Behandelen kan op verschillende manieren. De geleiachtige vloeistof kan door middel van een naald worden weggezogen. Heeft u veel klachten dan is een operatie te overwegen waarbij het ganglion wordt verwijderd.

Ziekte van Dupuytren

De ziekte van Dupuytren is een aandoening die leidt tot kromstand van de vingers. Bij deze ziekte ontstaan door vermeerdering van bindweefsel strengen en knobbels in de handpalm en in de vingers. De strengen kunnen samentrekken waardoor vingers krom gaan staan en niet meer goed zijn te strekken. Bij de behandeling kunnen de strengen worden doorgesneden of helemaal verwijderd afhankelijk van het stadium van de ziekte. Hierdoor blijft uw hand zo lang mogelijk functioneel en kan een onomkeerbare kromstand worden voorkomen. Helaas komt de ziekte van Dupuytren altijd terug. Het is dus mogelijk dat u in uw leven meerdere keren behandeld moet
worden.

Duimbasisslijtage

Duimbasisslijtage komt veel voor: ongeveer één op de drie vrouwen boven de 40 jaar heeft in het duimbasisgewricht afwijkingen op een röntgenfoto. Als u pijn krijgt door slijtage, merkt u dat vaak bij iedere beweging. De duimbasis en de duimmuis kunnen pijnlijk worden en de pijn wordt heviger wanneer u de duim intensief gebruikt. Ook kan er krachtverlies optreden, waardoor u dingen uit uw handen laat vallen. Vaak wordt gezegd dat u ‘er maar mee moet leren leven’. Duimbasisslijtage kan echter goed worden behandeld. Bij een milde slijtage bestaat de behandeling uit rust, spalken, pijnstilling en eventueel ontstekingsremmende injecties. Vaak wordt handtherapie
voorgeschreven. Is dit niet voldoende dan kunt u operatief geholpen worden. Het duimbasisgewricht kan worden vastgezet. Een andere optie is het verwijderen van het trapeziumbotje en met behulp van een stuk van de buigpees van de pols een nieuwe ophanging van de duimbasis maken.

RSI

RSI (repetitive strain injury) wordt veroorzaakt door overbelasting en komt heel vaak voor. Herhaalde beweging zoals pakken, tillen, knijpen, wringen of het bedienen  van een muis irriteren de peesschede die om de buigpees zit. Dat levert op den duur een ontsteking op, waardoor de peesschede opzwelt en de buigpees niet meer soepel kan bewegen. Om de klachten te verminderen moet u proberen om de bewegingen die de pijn veroorzaken te vermijden. De handtherapeut kan u oefeningen, houdings- en gebruiksadviezen geven en ook bekijken hoe u bijvoorbeeld uw werkplek kunt aanpassen. De behandeling kan verder bestaan uit een spalk die de geïrriteerde pezen rust geeft, ontstekingsremmende middelen of een injectie met hydrocortisone. Als de klachten langer dan drie maanden bestaan, kan in sommige  gevallen een operatie worden overwogen. Daarbij wordt onder plaatselijke verdoving het dak van de peesschede doorgesneden, zodat de pezen in de schede meer
ruimte krijgen.

SL laesie

Bij een val op de gestrekte pols kan een bandje in de pols scheuren (SL laesie). De polsbotjes gaan hierdoor abnormaal bewegen: het scheepsvormig botje kantelt naar  voren en het maanvormig botje kantelt achterover. Deze abnormale beweging zorgt voor versnelde slijtage van de pols, die binnen enkele jaren kan optreden. Het is dus belangrijk om de gescheurde band snel te repareren of te reconstrueren. Als direct na de val blijkt dat de band is gescheurd, kan deze soms nog gehecht worden. Is het letsel ouder, dan kan een nieuwe band gemaakt worden met behulp van een buigpees van de pols. Is niet alleen de band maar ook het gewrichtskraakbeen  beschadigd dan wordt er gekeken naar andere mogelijkheden, zoals het verwijderen van een aantal handwortelbeentjes of het gedeeltelijk of geheel vastzetten van de pols.

Chronische polsklachten

Veel mensen houden polsklachten na een gebroken pols. Dit kan twee redenen hebben: in ongeveer 40% van alle polsfracturen scheuren ook de bandjes tussen de polsbotten. Wanneer die niet (goed) herstellen geeft dat pijnklachten en zorgt het voor de slijtage van het polsgewricht. Het kan ook zijn dat de pols verkeerd vastgroeit. Een pols die ingezakt is, achterover of juist extreem naar voren staat, geeft pijnklachten. Om dit soort problemen te voorkomen is het dus belangrijk dat een polsbreuk op de juiste manier behandeld wordt. Daarbij moet onder andere rekening gehouden worden met de manier waarop de breuk is ontstaan, de plaats waar de schade zich bevindt en de leeftijd van de patiënt. Pas wanneer er op de juiste manier wordt behandeld, is de kans groot dat de polsbreuk in de goede stand geneest.

Carpaal Tunnel Syndroom

Het Carpaal Tunnel Syndroom (CTS) ontstaat door beknelling van de middenhandszenuw in de pols. Deze zenuw loopt door een tunnel en wanneer het bindweefsel in de tunnel gaat zwellen, raakt de zenuw bekneld. Bij CTS kunnen de klachten nogal wisselen. Zo kunt u last hebben van een prikkelend en pijnlijk gevoel in de handpalm en vingers, een gezwollen, dik gevoel in de hand, uitstralende pijn naar de onderarm, elleboog en schouders en vermindering van de kracht van de hand. Veel patiënten hebben met name ’s nachts last van klachten. Het dragen van een spalk gedurende de nacht en het aanleren van een juist gebruik van de hand door de handtherapeut heeft vaak een gunstig effect op de symptomen. Een injectie met corticosteroïden kan een vroege CTS genezen. Als dat niet helpt, moet u geopereerd worden om te voorkomen dat de zenuw blijvende schade oploopt. De ervaring heeft geleerd dat operatieve behandeling van CTS in meer dan 90% van de gevallen succesvol is.

Zenuwletsel

Zenuwletsel komt veel voor. Het ontstaat meestal door een scherpe verwonding door bijvoorbeeld glas of een mes of door scheur- of bijtwonden. Kenmerkend is de directe uitval van een zenuw, waardoor u merkt dat u plaatselijk niets meer voelt of uw vingers of hand minder goed kunt bewegen. Toch worden zenuwletsels vaak gemist, omdat alle aandacht op dat moment naar de wond gaat. Bent u gewond en is er sprake van uitval van een zenuw, dan moet u worden geopereerd. Binnen 72 uur is een zenuw met behulp van microchirurgische technieken onder de microscoop te hechten. Na een aantal dagen trekt de zenuw zich terug en wordt het al  lastiger om hem aan elkaar te maken. Soms is dan een zenuwtransplantatie nodig waarvoor een zenuw uit het been of de arm wordt gebruikt.

Handtherapie

Hoewel er technisch heel veel mogelijk is, bent u er nog niet met een operatie aan uw hand of pols alleen. Na de ingreep is handtherapie van groot belang. De  handtherapeut wordt ingeschakeld om het oefentraject op te starten en te begeleiden. Dat is belangrijk om de spieren, pezen en gewrichten zo soepel mogelijk te  houden, verklevingen te voorkomen en opnieuw kracht op te bouwen. Vaak zijn er nog weken of maanden van intensieve therapie nodig om uw hand of pols weer goed te kunnen gebruiken. Afhankelijk van de ernst van de aandoening kan ook de duur van de handtherapie variëren. Het kan zijn dat u met een overbelaste pols na  drie keer behandelen en de juiste adviezen al vooruit kunt. Maar na een operatie bij uitgebreid letsel kan de nabehandeling soms wel een jaar duren. Maar of de therapie nu lang of kort duurt: het is heel belangrijk dat u de voorgeschreven oefeningen en adviezen nauwkeurig opvolgt. Vooral in de eerste weken na een ingreep is de behandelfrequentie heel hoog, want juist in die periode is de meeste winst te behalen. Uw handtherapeut zal u zo goed mogelijk begeleiden en zorgen voor een efficiënte en optimale aanpak, maar uw eigen motivatie om thuis te werken aan uw herstel is net zo belangrijk!

 
 
Wegwijzer van de Medische Esthetiek
Het complete naslagwerk
 
Klinieken
Bekijk alle klinieken.
 
Specialisten
Bekijk alle specialisten.
 
Aanbiedingen
Bekijk alle aanbiedingen.
 
Redactionele artikelen
Medisch specialisten geven achtergrondinformatie over behandelingen.