• Home
  • Redactionele artikelen

Redactionele Artikelen

Deel dit artikel met je vrienden:
Share |

Bijdrage van: dr. M. Joosse, Oogarts bij Medisch Centrum Haaglanden

Scheelzienoperatie


Strabismus (scheelzien) is een oogheelkundige aandoening waarbij de ogen niet in dezelfde richting kijken. Een ander woord voor scheelzien is loensen. Scheelzien komt bij ongeveer 2-4% van de bevolking voor. 10-20% van de algemene populatie heeft tijdens ernstige algemene ziekte of vermoeidheid een scheelzien van voorbijgaande aard.


Auteur: dr. M. Joosse
Oogarts - Medische Centrum Haaglanden, Den Haag

borstvergroting voor
Van onder naar boven:
Scheelzien in binnenwaartse richting (convergent scheelzien)
Scheelzien in buitenwaartse richting (divergent scheelzien)
Scheelzien in bovenwaartse richting
Scheelzien in benedenwaartse richting

Bij kinderen komt convergent scheelzien (een oog staat in de richting van de neus) het meest frequent voor. Bij volwassenen is divergent scheelzien (een oog staat in de richting van het oor) de meest voorkomende vorm. In sommige gevallen bestaat er ook verticaal scheelzien of zelfs scheelzien met een schuine of gedraaide oogstand.

Hoe ver de kennis van de moderne geneeskunde ook is, wij weten in de meeste gevallen niet waarom sommige mensen scheel zijn. Wel is bekend dat het in de meeste gevallen een storing betreft in de aansturing vanuit ons zenuwstelsel van een of meer van onze oogspieren. Ook is bekend dat scheelzien een duidelijke erfelijke component heeft.

Wij hebben per oog zes oogspieren: vier rechte oogspieren voor het naar boven, naar beneneden, naar rechts en naar links bewegen, en twee schuine oogspieren voor het maken van draaibewegingen naar schuin boven of beneden.

Diagnose strabismus
Vanaf de vierde maand na de geboorte kan men scheelzien met enige zekerheid vaststellen. Dit gebeurt op een oogheelkundige polikliniek door de orthoptist(e) in samenwerking met de oogarts op indicatie van de consultatiebureau arts of bij verdenking op scheelzien door de ouders via de huisarts.

Bij kinderen is het essentieel bij het stellen van de diagnose strabismus om een objectieve meting te doen van de brilsterkte met behulp van oogdruppels die de accommodatie tijdelijk uitschakelen. Er bestaat namelijk bij een groot deel van de scheelzienspatienten een verband tussen de brilsterkte en de aard van de brilsterkte en de scheelzienshoek. Zo kunnen mensen met een + sterkte een convergent scheelzien hebben en mensen met een – sterkte een divergent scheelzien. Het kan zelfs voorkomen dat patiënten die zonder bril scheel zijn met een bril een rechte oogstand hebben. Deze mensen hoeven dan uiteraard geen operatie van het scheelzien, maar zijn goed te behandelen met een bril en/of contactlenzen.

Bij kinderen is het scheelzien meestal aangeboren. Vaak hebben familieleden van het kind ook een vorm van strabismus of dragen een bril vanaf de jeugd.

Dubbelbeelden
Hoewel kinderen soms een enorm grote scheelzienshoek kunnen hebben, hebben zij vrijwel nooit last van dubbelbeelden. Dit komt doordat zij (een deel van) het beeld van het schele oog kunnen onderdrukken in de hersenen. Door dit onderdrukken van het dubbelbeeld in de vroege jeugd ontwikkelen kinderen ook vaak een lui oog (amblyopie). Dit wordt in het algemeen behandeld door de orthoptist met behulp van afplakken van het goede oog.

Boven het twaalfde jaar verliest men dit vermogen om het dubbelbeeld te onderdrukken. Daarom hebben personen die boven het twaalfde levensjaar een scheel oog hebben gekregen last van dubbelbeelden. Dit wordt in het algemeen als zeer storend ervaren. Hierbij dient altijd nader onderzoek gedaan te worden naar de oorzaak. Ook kan een consult door de neuroloog hierbij een goede aanvulling zijn. Als (nog) niet geopereerd wordt bij een volwassene met later verworven scheelzien, kan worden gekozen voor het afplakken van een glas in de bril of voor een tijdelijk plakprisma voor een of twee brillenglazen.

Geschiedenis
In de achttiende eeuw werden er in Europa door rondreizende zelfbenoemde artsen al scheelzienoperaties gedaan. De behandeling bestond uit het grofweg dwars door de oppervlakkige oogvliezen doorknippen van de binnenste oogspier bij convergent scheelzien. Deze behandeling gebeurde op het marktplein zonder verdoving en leidde in vrijwel alle gevallen tot een zeer fors scheelzien in de tegenovergestelde richting. Pas in 1839 heeft de chirurg Von Dieffenbach een zevenjarige jongen behandeld met convergent scheelzien met een wat modernere techniek waarbij hij de spier los prepareerde en erna de vliezen weer sloot met hechtingen. Sindsdien zijn de onderzoeks- en operatiemethodes steeds verder uitgebreid en verfijnd.

Operatie
Tegenwoordig worden in Nederland alle patiënten met scheelzien door zowel een orthoptist als een oogarts onderzocht. Op basis van de metingen van de scheelzienshoeken in alle blikrichtingen, maar ook op basis van de bepaling van het niveau van samenwerking tussen de ogen wordt bepaald of een operatie van de oogspieren de beste optie is en zo ja, hoe en hoe groot de spiercorrectie het beste kan gaan worden.
Er bestaan grofweg twee correctiemethoden van de oogspieren:

  1. Retropositie of recessie: het naar achteren verplaatsen van de spier
  2. Resectie of anteropositie: het verkorten van de oogspier

Deze technieken kunnen in principe op alle zes uitwendige oogspieren van beide ogen worden uitgevoerd.

Meestal en zeker bij kinderen wordt horizontaal scheelzien behandeld met een operatie van twee spieren. Ofwel wordt aan beide ogen één spier naar achteren verplaatst (of ingekort), ofwel wordt aan een oog een spier verplaatst en een ingekort. Ook is er vaak bij kinderen een schuin scheelzien en wordt bij de operatie ook nog een correctie gedaan van de schuine oogspieren. Bij volwassenen kan soms gekozen worden voor een operatie van één spier. De operatie geschiedt vrijwel altijd onder narcose.

Resultaat
Ondanks de vereiste grondige pre-operatieve analyse en een ongecompliceerde operatie, kan na de operatie toch een over- of ondercorrectie optreden. Grofweg kan gesteld worden dat in 25% van de gevallen sprake is van een suboptimale correctie en dat indien de patiënt en de arts dit wensen nog een operatie nodig is. Het is hierbij wel wenselijk om enkele maanden te wachten alvorens men weer gaat opereren en uiteraard is ook dan weer grondige analyse door de orthoptist en oogarts nodig.

Heroperatie
Bij een heroperatie kan zowel de reeds geopereerde spier geopereerd worden als een nieuwe spier. Als een al eerder geopereerde spier wordt geopereerd bestaat een wat grotere kans op littekenvorming dan bij de operatie van een niet eerder geopereerde spier. Maar littekens treden in principe na elke scheelzienoperatie op, echter de mate waarin verschilt per situatie. Een litteken kan variëren van alleen een vaag kleurloos streepje in het oogwit tot een rode zwelling met bobbeltjes. Hoe een litteken er uiteindelijk uit gaat zien kan men pas na maanden tot een jaar zeggen.

Vergoeding verzekering
Omdat scheelzien algemeen beschouwd wordt als een medische aandoening, worden zowel de consulten bij de oogarts en de orthoptist, maar ook de operatie inclusief de narcose en dagopname volledig vergoed. Ook de na-controles vallen binnen de verzekerde zorg. Indien er een bril al dan niet met prisma’s nodig is, wordt dit meestal niet door de verzekeraar vergoed.

 
 
Wegwijzer van de Medische Esthetiek
Het complete naslagwerk
 
Klinieken
Bekijk alle klinieken.
 
Specialisten
Bekijk alle specialisten.
 
Aanbiedingen
Bekijk alle aanbiedingen.
 
Redactionele artikelen
Medisch specialisten geven achtergrondinformatie over behandelingen.